Lezing 3 Gods trouw in de Psalmen

Op donderdagavond 26 november vond de derde lezing rondom het jaarthema ‘Trouw’ plaats. Deze lezing werd online uitgezonden, maar er mochten ook 30 leden aanwezig zijn in de oude, vertrouwde kerk aan de Ambachtsstraat in het hart van Utrecht. De lezing werd uitgesproken door dr. C.P. de Boer, die inging op het thema ‘Gods trouw in de Psalmen’.

 

Allereerst ging de lector in op de redactie van het boek van de Psalmen en hoe daarin Gods goedertierenheid blijkt. De Psalmen bestaan uit diverse bundels die samen andere aspecten naar voren brengen van Gods trouw. De belangrijkste manier van structuur die zichtbaar is in het boek der Psalmen en aansluit bij de Joodse en vroeg-kerkelijke lezing, is de indeling in vijf boeken, een inleiding en een slot. Elk boek eindigt met een lofzang op Gods trouw en begint met een klacht, waarin vragen worden gesteld over Gods trouw. In boek V (Ps. 107-145) wordt dit patroon echter doorbroken. Boek V begint en eindigt met een loflied op Gods goedertierenheid, waarmee wordt geanticipeerd op het slot van de Psalmen, wat een grote lofzang op Gods trouw is. In deze context worden de andere thema’s die in de inleiding aan de orde komen, in het boek van de Psalmen uitgewerkt en vanuit verschillende invalshoeken belicht. Gods trouw staat in het boek der Psalmen altijd in de context van Zijn Koninkrijk. Goedertierenheid is daarbij een van de eigenschappen van God die een centrale rol speelt in de relatie tussen God als Koning en andere fenomenen en personen in de Psalmen.

Vervolgens werkte dr. De Boer een tweetal thema’s verder uit om te laten zien dat trouw een belangrijk terugkerend onderwerp is in de Psalmen. Hij ging daarbij in op het thema: Gods goedertierenheid aan Israël en Sion. Dit thema komt onder andere terug in de Psalmen 129-131. Psalm 129 gaat in op het lijden in de geschiedenis van Israël en het waarom achter dit lijden. Vanwege Gods verkiezing handhaaft God zijn recht en is Hij erbij in het lijden. Ondanks dat is de dichter ook verantwoordelijk voor zijn lijden vanwege zijn overtredingen. Daarom volgt er in Psalm 130 een gebed om vergeving. Daarbij wordt een beroep gedaan op Gods trouwe en goedertieren karakter. Dit wordt gevolgd door een vergelijking van Gods goedertierenheid met de liefde van een moeder naar haar kind in Psalm 131. Het woord ‘trouw’ (goedertierenheid) circuleert in deze Psalmen dus tussen Gods verkiezing aan de ene kant, en mijn onwaardigheid aan de andere kant.

 

Een tweede thema wat voorkomt in de Psalmen is Gods goedertierenheid aan David. Psalm 89 is een voorbeeld van een dergelijke Psalm. De spreker in deze Psalm is een vernederde Davidische koning, die deze status niet kan rijmen met de belofte van Gods goedertierenheid aan David. Dat uit zich in de vraag: Waar is Gods goedertierenheid? Het antwoord daarop is te vinden in de Thora van Mozes. Gods goedertierenheid komt dan ook naar voren in de daarop volgende Psalm, een gebed van Mozes. Mozes bidt hier om een verzadiging met Gods goedertierenheid in de morgen. Dat de vraag rondom Gods trouw aan David beantwoord wordt door Mozes tekent een belangrijk keerpunt in de Psalmen. De Psalmen die daarna volgen gaan niet meer in op Davids persoonlijke omstandigheden, Davids koningschap komt nauwelijks meer naar voren. Zo is Psalm 145 een loflied van David. Hij voegt zich hier bij het volk van God en eert God als Koning. De lector besluit dan ook met te concluderen dat Gods goedertierenheid het fundament is waarop de lof opklimt tot God. God wordt geloofd omdat David een levend bewijs is van Zijn goedertierenheid, omdat Hij trouw is aan Zijn verkoren volk maar bovenal omdat de zanger zelf weet dat God goedertieren is.

Hoewel normaal gesproken een groep DC’ers na de lezing nog langer van elkaars gezelschap geniet onder het genot van een drankje, was dat dit keer slechts voorbehouden aan de bewoners van de DC-huizen.